Is je groep actief in het Verenigd Koninkrijk? Dan heb je mogelijk te maken met dubbele rapportagennormen. Je moet de complexe regels van zowel de Britse GAAP als IFRS beheersen, terwijl je financiële team uren kwijt is aan het afstemmen van de verschillen tussen deze twee boekhoudkundige frameworks.
Een helder inzicht in de verschillen is essentieel om compliant te blijven en betrouwbare financiële rapportages op te leveren.
Als je de onderscheidende kenmerken van Financial Reporting Standard 102 (FRS 102) en volledige IFRS kent, bespaar je je financiële team tijd en voorkom je kostbare foutherstel. In deze gids lichten we de belangrijkste verschillen tussen beide frameworks toe.
Het regelgevingslandschap in het VK
Sinds de Brexit zijn de rapportageregels weliswaar licht veranderd, maar de kernverplichting blijft ongewijzigd. Heeft jouw Britse onderneming effecten toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt? Dan ben je verplicht om geconsolideerde financiële rapportages op te stellen conform IFRS.
Alle andere groepen en bedrijven in het VK hebben een keuze: zij kunnen de volledige IFRS-richtlijnen volgen óf kiezen voor de Britse GAAP. Weten welk framework van toepassing is op jouw entiteiten, helpt je bij het plannen van je rapportagekalender en het naleven van lokale wet- en regelgeving.
Inzicht in de Britse GAAP en FRS 102
De Britse GAAP bestaat uit zes standaarden, waarvan FRS 102 de belangrijkste is. De Financial Reporting Council baseert FRS 102 op de IFRS voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Deze standaard vereenvoudigt de rapportage voor niet-beursgenoteerde ondernemingen. Het houdt rekening met het feit dat belanghebbenden bij private bedrijven andere informatiebehoeften hebben dan beleggers in beursgenoteerde bedrijven. FRS 102 vermindert de kosten en complexiteit van het opstellen van financiële rapportages voor deze private entiteiten.
In september 2024 publiceerde de Financial Reporting Council een bijgewerkte versie van FRS 102. Deze update brengt de Britse GAAP op een aantal belangrijke punten dichter bij IFRS. Toch blijven er cruciale verschillen bestaan waarmee je rekening moet houden bij het opstellen van financiële rapportages onder meerdere boekhoudstelsels.
Belangrijkste verschillen in het controlecriterium
Bij het opstellen van een geconsolideerde financiële rapportage moet je eerst vaststellen of er sprake is van een moeder-dochterrelatie. Beide frameworks gebruiken hiervoor een zeggenschapsconcept.
Onder FRS 102 betekent zeggenschap dat je de bevoegdheid hebt om het financiële en operationele beleid van een entiteit te bepalen, om zo voordelen uit haar activiteiten te behalen. Meestal wordt dit aangetoond via een meerderheid van de stemrechten. FRS 102 geeft specifieke regels voor situaties waarin een dochteronderneming buiten de consolidatie moet worden gelaten. Dit is bijvoorbeeld het geval als een dochteronderneming uitsluitend is verworven met het oog op latere verkoop.
IFRS 10 biedt meer ruimte om de moeder-dochterrelatie te onderbouwen. Dit helpt bij complexe situaties waarin stemrechten niet het volledige verhaal vertellen. Wanneer je een dochteronderneming verwerft met het oog op doorverkoop, verplicht IFRS 5 je deze te classificeren als 'aangehouden voor verkoop'. FRS 102 kent geen aparte categorie voor activa die worden aangehouden voor verkoop.
Afwijkende regels voor bedrijfscombinaties en acquisitiekosten
Bij bedrijfscombinaties moet je de overnemende partij identificeren, de overnamedatum bepalen en de hoogte van de overnamesom vaststellen. FRS 102 en IFRS 3 gaan hier verschillend mee om.
Onder FRS 102 vallen alle kosten die rechtstreeks aan de bedrijfscombinatie kunnen worden toegerekend onder de overnamesom. Bijkomende acquisitiekosten (zoals notariskosten, overdrachtsbelasting en commissies) worden geactiveerd op de balanse en direct opgeteld bij de overnamesom.
IFRS 3 hanteert een andere benadering: bijkomende acquisitiekosten worden direct verwerk als last in de resultaatrekening op het moment dat ze worden gemaakt. Ze maken dus geen deel uit van de overnamesom.
Een ander belangrijk verschil betreft goodwill. FRS 102 behandelt goodwill als een activum met een beperkte economische levensduur en schrijft deze systematisch af over de geschatte levensduur. Als je geen betrouwbare schatting kunt maken, dan geldt een maximale afschrijvingstermijn van tien jaar. Onder IFRS 3 schrijf je goodwill niet af. In plaats daarvan onderwerp je deze jaarlijks aan een waardeverminderingstoets.
Updates rondom omzetverantwoording en lease accounting
De Financial Reporting Council heeft in september 2024 ingrijpende wijzigingen in FRS 102 doorgevoerd. Deze wijzigingen brengen de Britse GAAP dichter bij de IFRS-principes:
Omzetverantwoording volgt voortaan een vijfstappenmodel dat aansluit bij IFRS 15. Je verantwoordt omzet op het moment dat je de controle over een goed of dienst overdraagt aan de klant, in plaats van te kijken naar de overdracht van risico's en voordelen.
Ook lease accounting ondergaat grote veranderingen. De bijgewerkte FRS 102 sluit aan bij het balansverwerkingsmodel van IFRS 16. Voor de meeste leases verwerk je een right-of-use asset en een leaseverplichting op de balans. Alleen kortlopende leases en activa met een lage waarde zijn hiervan uitgezonderd. Als je eerder operationele leases verwerkte onder de oude Britse GAAP-regels, moet je je methoden voor gegevensverzameling aanpassen.